Het is oké om te slapen met een knuffelbeest

Heel lang heb ik geslapen met het rammelende kleine witte beertje tegen mijn oor. Vijfentwintig jaar geleden (is this for real?) gekregen en sindsdien nooit meer mijn bed verlaten. Tót ik het arme ding ergens in een hotelletje in Amerika achterliet. Heb jij ook niet genoeg aan je geliefde en ligt er nog een zacht, klein, aaibaar exemplaartje in je bed? Helemaal niet erg,  vriendin. Het ‘beestje’ heeft namelijk zelfs een naam gekregen. Het ‘overgangsobject’ helpt ons een gevoel van veiligheid te geven.

 

Het Amerikaanse bedrijf Best Mattress Brand hield ruim 2.000 mannen en vrouwen een enquête onder de neus en wat blijkt? Maar liefst 37,5% van de ondervraagden heeft nog steeds gezelschap van een knuffel in bed. Voor 29,4% procent is dat specifiek een teddybeer en 28% houdt een plekje over voor een speciaal dekentje. Opmerkelijk is dat vooral millennials (namelijk 16%) geborgenheid zoeken bij een niet-levend wezen, van generatie X slechts 8% en van de babyboomgeneratie maar 2%. Psychologen noemen de teddy waarmee we in bed kruipen ‘transitional objects’, oftewel overgangsobjecten. Wanneer we onzeker zijn of angstig, zijn we geneigd te grijpen naar comfortabele spullen uit onze kindertijd, wat ons een gevoel van veiligheid geeft. Vooral jongeren die bijvoorbeeld net starten met een nieuwe studie of aan het begin staan van een carrière kunnen niet zonder.

 

Het is dus helemaal nergens voor nodig je te schamen. Wel of geen lief in je bed, dat afgesabbelde konijnenoor of die versleten stinkende aap waar de vulling al voor de helft is uitgeplukt, mogen gewoon blijven. Extra rondje in de wasmachine vanavond en morgen weer gewoon fris samen onder de wol.

 

door |
| 11:30