category image

Het moment dat je ontdekt dat je NIETS van eten weet

In een gezellig jurkje zonder panty rende ik van mijn auto naar restaurant Baut aan de Spaarndammerstraat. Koud was het, daar voor de deur bij Baut. De ballon zwaaide me de juiste kant op, ik ging voor ’t eerst naar de FavorFlav Top 100. Daar waar chefs en creatieven op het foodvlak de eer krijgen.

Die maandagavond leerde ik drie dingen. 1) De nieuwe lichting Nederlandse chefs mag er zijn, dames. Ik raad je aan om ook eens naar zo’n avond te gaan. 2) Als iemand je op een food event vraagt of je een bitterbal wilt, dan krijg je een bitterbal waarbij de engelen op je tong piesen. En 3) Ik weet NIETS van eten. Niente. Nada. Nothing.

Ja, dat je van buiten naar binnen moet met het bestek, maar dat zijn de basisbeginselen a.k.a. de huis-tuin-en-keuken-etiquette. Ik weet dus niets van eten, maar ik weet dus ook niets van de mens die het eten maakt. Ja, ik ken Alain Caron en Jonnie en Thérèse, van gezicht, maar als je die drie niet kent, dan kijk je nooit teevee. Bij de rest heb je dus geen idee en dat is lullig. Knikte ik een vriendelijk exemplaar gedag onderweg naar de wc, blijkt hij de oppergod van een restaurant hier in Amsterdam te zijn. Ik durf niet eens hardop te zeggen wie het was. Het zit naast een museum en je mag drie keer raden. Ik had het pas door toen hij het podium op moest om het eerste exemplaar van het kookboek van onze buren in ontvangst te nemen wie hij was. Lul-lig.

Het gangenfestijn begon met de spruiten. Niet zomaar spruiten, maar die met luchtige mosterd en gepofte boekweit van chef Luc Kusters. Als er nog iemand opstaat die zegt dat ‘ie geen spruiten lúst, dan leg ik die persoonlijk over de knie. Ik had nog nooit in mijn leven spruiten van dit kaliber gegeten. Kregen we nog een geroosterde bospeen van Michiel van der Eerde waar ik spontaan vegetarisch van zou worden. Het is dat niemand me kan garanderen dat ik ze elke avond zo op het bord krijg (en ik nogal een carnivoor ben), anders zou ik alleen nog maar aan bospenen snuffelen. De man tegenover me had op dit punt al-lang door dat ik geen fijnproever was, maar soit, ik zag eruit als het kind dat voor het eerst frietjes kreeg.

Je weet dat er bij dit soort culinaire samenkomsten ook een gang komt waar je un petit peu tegenop ziet. Als je tweehonderd mensen aan tafel krijgt die verstand van eten hebben (min één), dan pak je uit. Dus daar kwam Alain Carons befaamde bloedworst. Met kippenlever. En zuring. Ik heb een afspraak met mezelf: je zegt pas dat iets niet jouw ding is, als je het hebt geproefd. Op paardenvlees na, want ik was een paardenmeisje, dus dat snap je. Maar daardoor at ik in mijn leven struisvogelbiefstuk (smaakt naar biefstuk), kangoeroe (dat is de koe van Australië), sprinkhaan en nog een paar dingen waar ik het liever niet meer over heb.

De bloedworst lag keurig ingepakt op het bord, in een jasje van (het leek) filodeeg, maar dat kan ik gemakkelijk fout hebben. De man met baard tegenover me keek op dit punt uiterst geamuseerd naar mij en mijn bord, dus prikte ik de vork in de worst en sneed ik een hapklaar stukje af. Lek-ker jongens, lekker. Niet normaal. Dit was het geluid van mijn smaakpapillen, tussen mijn oren bleef rondzoemen dat het bloedworst was en dat doet dingen met je (met mij). Maar ik heb het geproefd en het was een miljoen keer lekkerder dan ik ooit had gedacht. Les één van de avond: bloedworst is lekkerder dan je denkt.

Les twee is dus dat de populatie knappe chefs toeneemt, kijk maar naar Freek. En kijk maar naar ons, want we hebben het er een week later nog over en dat wil wat zeggen. Les drie is dat ik een barbaar ben op culinair gebied, waarvoor aan alle chefs mijn oprechte excuses. Al vermoed ik dat de mensen met verstand van eten zich kostelijk vermaakt hebben om mijn onkunde die avond. Volgend jaar weer.