category image

Op deze leeftijd heb je als vrouw de meeste kans om vreemd te gaan

God, die verliefde fase. Ik weet nog hoe ik ooit zó zenuwachtig was voor een date met mijn inmiddels man, dat ik half kotsend tien meter van z’n huis vandaan van de fiets moest afstappen om in het gras neer te ploffen.

Anders viel ik flauw.

Ik durfde niet naar binnen. Durfde niet aan te bellen. Hij woonde toen nog thuis en zijn moeder is de allerliefste. Daar lag het niet aan. Nee. Ik was té verliefd. Meer dan verliefd. En oké, ik was ook een klein beetje puber. Wie weet kwam het daardoor, dat gevoel voor wat extra drama, om dus vrijwillig in je mooiste jurkje lijkbleek van de zenuwen in het gras te janken van ellende. Te mekkeren dat liefde stom is en dat mannen vreselijk zijn. En dat je na deze keer echt nooit, nooit, maar dan ook nooit meer op een date gaat.

Maar verliefde fases gaan onvermijdelijk ooit voorbij. Bij iedereen. Dan komt er een boel houden van voor in de plaats. Anders dan de spanning van toen, dat zeker, maar niet zozeer negatiever. Het geeft rust. Je bent niet meer kotsmisselijk als je de sleutel in het slot hoort en hij na een dag werken thuiskomt. Je ligt niet meer de hele nacht expres wakker omdat je bang bent dat je anders snurkt naast hem en toch wel graag charmant wil overkomen. Gelukkig maar. Toch kan niet iedere vrouw met die fase van houden van omgaan. Want hoe lang mensen ook samen zijn en hoe gelukkig ze ook met elkaar zijn, vreemdgaan gebeurt. Vaak. Nu is gebleken uit onderzoek dat vrouwen op hun 37e het vaakst een scheve schaats rijden en even buiten de deur loeren. Net voor je veertigste dus. Noem het een midlife-ding, maar blijkbaar is er dan veel behoefte aan wat extra aandacht. Volgens experts is de gemiddelde leeftijd dat vrouwen het vaakst vreemdgaan 36,6 jaar, zo’n 7 jaar na hun huwelijksdag.

God, lekker dan. Die leeftijd heb ik nog niet, dus ik maak me wel een beetje zorgen. Gelukkig heb ik het zelf in de hand, dat wel. En nog even over dat verliefde pubergedrag, opeens weet ik het weer: toen kon ik nooit een hap eten bij hem in de buurt. Letterlijk niet. Ik maak geen grap. Zo straalsmoorverliefd dat ik geen hap weg kon krijgen als hij naast me zat. Als ik dan bleef logeren, vroeg zijn moeder altijd of ik geen ontbijt wilde ’s ochtends. Na die hele nacht wakker liggen uit angst voor snurken dus, ja. Ik zei dan altijd, luchtig: ‘Oh nee, dankjewel, ik heb geen trek.’ Ik stierf van de honger.

Als ik dan eindelijk thuis was, at ik de halve koelkast op. Dat had ik nodig voor als ik de dag daarna wéér kotsend in dat grasveld moest gaan zitten.