Waarom het goed is om je roots te koesteren

Boten in een haven tijdens zonsondergang

“Waaaaarvandaan?” En dan ga ik heel geduldig van: de eilanden linksonder in Nederland en dan dat bovenste eiland. “Oooh, Zeeland!” Leg ik weer heel geduldig uit dat dit nog bij Zuid-Holland hoort en dat ik daar vandaan kom. Je zou me op dit soort uren bijna aardrijkskundeleraar noemen, ook al is dit totaal niet mijn forte. Ik ben op een heus eiland geboren, met brug, overal water rondom, waar je vroeger niet zonder een boot kon komen, met plat dialect en de hele rambam. We hebben zelfs een eigen volkslied, waar je níks van snapt als je het taaltje niet verstaat.

 

Ook al wil ik nóóit meer op dat bewuste eiland wonen, toch vind ik het bijzonder dat ik uit het zuiden van ons land kom. Ik ken mijn binnendoorroutes in Zeeland op de zomerse dagen als de wegen gevuld zijn met toeristen, en ik weet waar je het beste wijn kunt drinken aan het water, en op het eiland Flakkee liggen mijn roots. Mijn vader zag daar het levenslicht, net als mijn oma en opa en overgroot-bet-alles. Ik terroriseerde daar met verve mijn leraren op de middelbare school, wist precies op welke hoek in de buurt van het lokale café je het best een potje kon zoenen (en met wie), en hoe laat de bus ging naar de stad (want een beetje metro en drukte doet ook een eilandbewoner goed). Maar dat niet alleen natuurlijk, het heeft me wat no-nonsens-mentaliteit gegeven, denk ik altijd. Net als een Freek, die je wel uit de Jordaan kunt halen maar de Jordaan niet uit hem. Het heeft het potverdimme niet voor niks tot uitdrukking geschopt.

 

Ik hou van het water aan de andere kant van de dijk. Ik hou van de tien kilometer die ik fietste naar school, ook al regende je tot je onderbroek nat. Ik houd ervan dat je weet wie je buurvrouw is (en vooruit, dat ze soms ook tussen de middag met de andere buurman voost). En dat nu, vijftien jaar later, nog steeds dat watertandend lekkere warme broodje gezond op de kaart van de lunchroom staat, waar ik heel wat gespijbelde uren bivakkeerde. Waar ik ook woon, waar ik ook werk of naar welk land ik ook afreis, ik hou van waar ik vandaan kom. Van dat eiland, waar ik alleen van school naar huis kon lopen en naar oma zwaaide die vanuit haar stoel dan even het gordijn aan de kant duwde om terug te zwaaien.