De eerste dagen zonder sigaret

Kiki sigaret

Ik weet mijn eerste hijs nog zo goed. Samen met een vriendin achter het elektriciteitskastje bij het spoor op Utrecht Overvecht. Ze had twee sigaretten gestolen van haar vader. Pall Mall volgens mij. ‘Geeeetver. *KUCH KUCH! Hoe kunnen mensen dit nou lekker vinden?’ Ik was veertien.

 

Nu ben ik zesentwintig en rook ik al twaalf jaar. Je moet weten: ik ben van de categorie rebels. ‘Mag’ iets niet, dan wil ik het des te meer.

 

Toen het roken ineens niet meer zo cool bleek te zijn stopte bijna driekwart van mijn vrienden. Ik was een van de weinigen die maar geen afscheid kon nemen van dat rolletje tabak in papier. Kwamen – inmiddels – niet meer rokende vrienden bij mij over de vloer, dan werd er vijf minuten na binnenkomst gewoon een sigaret opgestoken. ‘Jezus, Kiek, er is iets met jou. Ik wil altijd alleen roken als ik met JOU ben!’ Wat dat over me zegt? Geen idee. Maar ik vond het gezellig.

 

Vorige week donderdagavond rookte ik mijn laatste sigaret. Helemaal niet heel symbolisch met een hoop poeha, gewoon in de deuropening van de schuifpui met het idee dat het wel eens de laatste zou kunnen worden. Inmiddels zijn we vijf dagen verder en los van een paar kleine chagrijnige aanvallen (en een ‘ik ben even heel emo ofzo-gevoel’) gaat het prima. Roken is een daad van verzet die alleen jongeren zich schuldenvrij kunnen permitteren, lees ik in het NRC. ‘Er zijn zeer weinig serieuze rokers van boven de dertig, misschien wel geen, die zich niet schuldig voelen over de schade die zij zichzelf toebrengen.’ Precies in dat stadium bevind ik me nu, denk ik. Ik raak me ineens verdomde bewust van mijn sterfelijkheid. Denk ineens aan de toekomst, aan mijn longen, aan eventuele kinderen.

 

Meer dan ooit heb ik het gevoel alsof ik er klaar voor ben. Al steeds vaker rookte ik twee sigaretten per dag. En toch voelt het gek om van mijn langgekoesterde vriendin ineens een vijand te maken. Ik ga het denk ik ook gewoon niet doen. Het type ex-roker zijn dat ‘ieeee’ zegt op het moment dat ze rook ruikt. Vind ik altijd wat kinderachtig. Iedereen moet lekker zelf weten wat ‘ie doet, maar ik doe het niet. Dat is het stadium waarin ik nu ben.

 

Tuurlijk ga ik het missen, de sigaret na het avondeten, de sigaret bij dat goede glas wit, de sigaret tijdens het belletje met die vriendin. De sigaret die je per ongeluk in tweeën gebroken uit een pakje trekt waarna je baalt, de sigaret op de eerste blote-benen-terrasdag, de sigaret waarmee je even weer helemaal tot jezelf kunt komen. De inspiratiesigaret, de ik-kom-net-uit-het-vliegtuig-sigaret, de sigaret bij de bushalte en de sigaret hier in de tuin bij Amayzine, zo net na de lunch. De sigaret als tijdsverdrijf.

 

Antirookgoeroe Allen Carr hamert op het volgende: ‘Roken is alleen leuk omdat de sigaret de verslaafde voor even van het zeurende gevoel afhelpt dat er iets mist. Voor twintig minuten klopt de wereld weer. Daarna begint het zeuren opnieuw.’ Ik wil dat het zeuren stopt. Ik wil niet langer met een rilling over mijn rug onder een verregende paraplu in de tuin staan, panisch zuigend aan een stokje. Nee, het is klaar, Kiek. Het is goed zo. En als het me lukt, ga ik goddomme toch een mooie tás kopen, daar word je naar van. Maar nu eerst bewijzen. Stay tuned!