Geslaagd of niet geslaagd? Zo ging het bij May

May-britt lachend op een blauwe stoel hoofdkantoor Denham in Amsterdam jeans met hoge hakken lachend

Deze dag. 29 jaar geleden, maar ik weet alles nog. Minuten die uren duren. Rondjes om de eettafel. Vijftig jumping jacks, tien in elke windrichting en dan nog tien om het af te leren. Knettermesjogge, ik weet het, maar ik had geen idee wat ik anders moest. Dan maar koffie. Met warme melk. En suiker. Ik krijg geen hap door mijn keel en dit helpt misschien een beetje tegen dat scheermes dat langs mijn buikwand schraapt.

 

Werd je nou gebeld als je het wel gehaald had of andersom?

 

Even Judith bellen om het te vragen. Haar vader is directeur van de school, dus bij haar zit je helemaal snor als het om dit soort kwesties gaat. Maar als ik haar bel, mis ik misschien net dat telefoontje. Dat ik geslaagd ben. Of juist niet dus.

 

Jumping jacks. Koffie. Melk. Suiker.

Er is nog geen mobiele telefoon, geen internet, geen WhatsApp. Niks, nakkes, nada. Just me and my jumping jacks.

 

Hoe laat was die deadline nou? Twee uur? Half drie?

Ze kunnen me natuurlijk ook gewoon vergeten zijn. Dat kan.

 

Maar weer even mijn gemiddeldes uitrekenen. En dat delen door het allerlaagst denkbare cijfer. Waar kom ik dan op uit?

 

Oh jongens. Jumping jacks. Koffie.

 

Ik geloof dat ik om vijf voor twee op mijn Puchje spring. Twaalf kilometer van Wemeldinge naar Goes. Naar school. Als de bijl op mijn kop moet vallen, dan maar met mijn vriendinnen om me heen om me op te vangen. Dat telefoontje mis ik misschien, maar ik ben er dan gewoon straks zelf. Dat is toch veel dapperder dan lafjes bij die lijn wachten?

 

Ik zie het hek. Til het voorwiel van mijn witte Puchje over de ingesleten stoeprand. Zou dit de laatste keer zijn dat ik het plein oprijd?

 

Ik parkeer mijn witte lifesaver die me al twee jaar lang elke dag van ons kleine dorpje naar school brengt. Waarover ik moest beloven dat ik nooit, nooit, nooit iemand voort zou slepen die op de fiets zat. Wat ik natuurlijk elke dag deed zodra Stephanie voor het spoor bij Kloetinge op haar fiets op me wachtte. Linkerhand op mijn schouder, duimpje omhoog en ik draaide het gas open en we zweefden samen over het heuveltje richting het spoor. Die boete die we een keer kregen was geen probleem. Of ze, als we ‘m vanmiddag meteen betaalden, de bekeuring niet naar huis op zouden sturen? En blaas uit. We kieperden de piekenpijpen (jaren ’80, weet je nog?) van haar vriendje leeg en gingen met 35 klinkende guldens naar het politiebureau. Nu ademden we nog dieper uit.

 

Straks geen heuveltjes meer. Geen Stephanie. Geen Michele. Geen Jon. Geen Patrick. We waaieren uit. Naar Rotterdam, Den Haag, Tilburg, Groningen. Rotterdam. Gelukkig ga ik met vijf vriendinnen in een huis wonen in Tilburg waar ik Nederlands ga studeren.

 

Tenminste… Als ik…

‘May, jouw cíjfers!’

Een klasgenoot springt zo’n beetje op mijn rug. Ik verstijf en dat komt niet door haar gewicht. Ja, ja, wat wil je zeggen? Mijn cijfers. Deze zin kan nog steeds alle kanten op en ik geloof dat er een grens is aan wat mijn zenuwen kunnen hebben.

 

‘Mijn cijfers wát? Goed of slecht?’

Ze zegt iets met ‘ja, doei’ en ‘zoek het uit’, dus ik ren het plein over, langs de kapstokken, natuurlijk glij ik uit over de stenen trap richting kantine. Daar staat meneer Limonard, mijn docent Frans. Hij steekt zijn hand uit. ‘Goed gedaan, meisje.’

 

Ik geloof dat ik denk dat ik er gevoeglijk van uit kan gaan dat dit betekent dat ik geslaagd ben.

Maar echt uitademen… Dat durf ik nog niet.