What would Eberhard do?

May-Britt Mobach

Soms ben ik jaloers op Femke Halsema. Als ik langs de ambtswoning fiets bijvoorbeeld. En als ik langs haar parkeerplek voor de ambtswoning fiets. Dan ook. Of als Edwin van der Sar blikjes bier voor haar wegvangt.

 

Er zijn momenten dat ik helemaal niet jaloers ben op Femke Halsema. Als er een digitale petitie rondgaat die mensen vraagt tegen haar te stemmen. Als er een monument voor Eberhard van der Laan wordt geïnstalleerd en je de hele stad voelt rouwen en denken: was hij er nog maar. Als je allemaal voelt dat de schoenen die je moet vullen eigenlijk te groot zijn, terwijl je toch je best doet en het beste met de stad voor hebt. Op jouw manier.

 

Vanochtend was weer zo’n moment dat jaloezie wel de laatste emotie was die ik voelde als ik aan Femke Halsema dacht. Een zorgelijk gezicht vult de voorpagina van De Telegraaf. Die schrijft dat haar zoon betrokken was bij een gewapende inbraak. Femkes verhaal klinkt iets anders. Hij had een neppistool en was met een vriend op een verlaten woonboot. Ik denk dat Femkes versie een iets gekuisde is. Die van een moeder. Een moeder die hem heus die avond in zijn kraag de trap van de ambtswoning opgetrokken heeft, zo hard tekeer is gegaan dat zijn haren (ik vermoed net zo’n woeste krullenbol als die van zijn moeder) als een helm om zijn hoofd zaten en hem een maand huisarrest heeft gegeven. Zoiets. Maar naar de buitenwereld ga je voor je zoon staan. Dat siert haar.

 

Heeft De Telegraaf overdreven? Vast. Was er sprake van kattenkwaad en ongewenst gedrag? Dat zeker. Is er hier sprake van omgekeerde klassenjustitie (een jongen van een moeder die niet burgemeester van Amsterdam was zou nooit nationaal nieuws worden)? Is het oneerlijk? Misschien. Maar dat is die parkeerplek op de Herengracht ook.

 

Er is een vraag die steeds terugkeert in mijn hoofd. What would Eberhard do? Die had, zo kan ik het me voorstellen, dit meteen verteld. Hup, die splinter eruit. Dit is gebeurd, ik ben een mens, mijn kind is een puber, we maken allemaal fouten en zo zie je hoe gemakkelijk vandalisme de stad in sluipt. Als het bij mijn kind kan gebeuren, dan bij iedereen. We moeten er samen aan werken. U en ik.

 

Zoiets. Dat verbindt.

 

Beste Femke, vandaag benijd ik je niet. Ik hoop dat jij en je zoon een manier vinden om dit om te draaien en ten goede te keren. En ik wens je een Edwin van der Sar die de rondslingerende blikjes voor je opvangt.