category image

“Ik voel het geweld door mijn lichaam razen”

Tess Hoens

Het leven van Tess Hoens is geweldig, maar bij haar liep het zwanger worden niet zoals ze had gedacht. Omdat er van schone schijn al genoeg is en omdat eerlijkheid helpt, schrijft ze over hoe haar zwangerschap verloopt. Deze week vertelt ze over de bevalling.

Ik word kamer 411 ingeduwd door de verloskundige en weet niet hoe gauw ik mijn badjas uit moet trekken om kreunend en puffend het ziekenhuisbed in te duiken. Het lukt me niet meer om de weeën weg te zuchten, ik rol door het bed, zoekend naar een fijne houding die niet te vinden is. Ik was nooit bang voor de bevalling. Ik had er de hele zwangerschap bijna zin in om te bewijzen dat ik het goed zou doen, stoer zou zijn. Dat ik de rust zou bewaren en zonder pijnstilling onze zoon ter wereld zou brengen. Er gaat een vlaag van teleurstelling door me heen als ik overweeg om te schreeuwen dat ik een ruggenprik wil. Nee, nog even niet, nog even aankijken. De bevalling gaat heel rap, misschien duurt deze pijn nog maar even. ‘Tess, lieverd, probeer even uit bed te komen. Dan zetten we je onder de douche. Het warme water verlicht de pijn.’ Alles in mij zegt dat ik wil blijven liggen maar ik vertrouw op haar expertise en hijs mezelf omhoog.

Het water klettert op mijn rug maar pijn verlichten doet het niet. Ik word gek, kan ik dit eigenlijk wel allemaal? In de films zie je vrouwen schreeuwen dat ze nú een ruggenprik willen maar ik hoor mezelf twijfelend piepen: ‘Ik wil misschien een ruggenprik.’ Misschien? Misschien? Ik wil nu platgelegd worden. Waarom durf ik dat niet duidelijk te maken? De verloskundige kijkt me vragend aan. ‘Weet je het zeker? Ik voel jouw pijn niet, maar je weeën komen wel heel erg snel na elkaar. Misschien moeten we inderdaad kijken wat er nog mogelijk is qua pijnstilling want dit put jou uit. Ik denk alleen dat je te veel ontsluiting hebt voor een ruggenprik.’ Ze staat op en loopt de kamer uit. Mijn vriend begeleidt me terug naar het bed.

‘Het enige wat we nog kunnen doen in dit stadium is een morfinepompje en dat lijkt me een verstandig plan. Je baby ligt met zijn hoofdje verkeerd om, een sterrenkijker noemen ze dat. Daarom heb je nu al persdrang maar komt de verdere ontsluiting niet meer goed op gang.’ ‘Ja!’’ Dit keer schreeuw ik wel: ‘Ik wil dat!’ Terwijl we wachten op het magische pompje, duwt mijn vriend een uur lang bij elke wee op mijn onderrug. Hij strijkt over mijn haar en zegt dat ik het goed doe.

‘Schatje, hoe is het nou met jou?’ ‘Goed hoor, doe jij je ogen maar even dicht,’ antwoordt mijn vriend. Het infuus met morfine is aangesloten en ik heb een knopje in mijn hand waar ik op kan drukken als het groen licht geeft. Dan krijg ik een nieuw shot en is het leven weer even fantastisch. Het neemt zeker niet alle pijn weg, maar ik word er zo verschrikkelijk high van dat pijn me niets meer doet. Ik wil weten hoe het met mijn vriend gaat. Ik wil kussen. Ik wil kletsen en ik wil foto’s maken van ons samen. Het lijkt wel alsof ik een partydrug op heb. En tussen dit alles door val ik de hele tijd in een lichte slaap waardoor ik aan wat rust toe kom. Af en toe komt er een man, die later de gynaecoloog blijkt te zijn, tussen mijn benen voelen hoe ver mijn ontsluiting nu is. Ik heb al superveel persdrang maar ik mag nog niet.

‘Oké vrouw, daar gaan we. We gaan persen,’ zegt de gynaecoloog. Zo eindeloos lang de persdrang wegpuffen maakt het fantastisch dat ik nu eindelijk druk mag zetten. Mijn vriend vindt het ook fijn dat er eindelijk weer wat actie komt. In de morfinefase was hij maar een beetje gaan candycrushen terwijl ik onzin tegen hem mompelde. Nu pakt hij mijn hand. ‘Je kan het, liefste.’ Ik krijg duidelijke instructies dat ik mijn benen op moet trekken en mijn handen in mijn knieholtes moet leggen. Ik moet mijn ellebogen naar buiten duwen terwijl ik mijn kin op mijn borst houd. Dit alles moet zonder schreeuwen want dat kost te veel energie. De gynaecoloog zit onderaan mijn bed. Naast hem staan twee verpleegkundigen. Mijn vriend zit naast me. Alle vier moedigen ze me aan. ‘Je doet het zo goed!’ ‘Het gaat hartstikke rap!’ ‘Hij heeft haar!’ ‘Goed zo, vrouw!’ ‘Ellebogen naar buiten, kin op je borst!’ ‘Nog even!’ Ik krijg een kick van al het geschreeuw. Dit persen is nog best leuk ook. Ik heb geen idee hoelang ik al bezig ben als de gynaecoloog zegt: ‘Ik denk dat hij er bij de volgende perswee is.’ Een kleine ontroering, een kleine angst, hij komt. Ik ga hem ontmoeten. Als ik hem maar lief vind en geen rare gevoelens krijg. Ik voel het geweld weer door mijn lijf razen en knijp mijn ogen dicht. Ik zet alle kracht van de hele wereld op mijn onderkant en voel het meest wonderlijke gevoel ooit. Er komt een lijfje door mij naar buiten. Mijn handen reiken naar voren, ik pak mijn zoon aan en leg hem als vanzelf op mijn borst. Hij huilt en dat is goed. Alles is goed. Onze zoon is er! David.