Als je kinderen het in een restaurant op een krijsen zetten

Tessa met haar tweeling jongens op vakantie

Ik dacht: het kan nét nog even. Het kon niet.

 

Het was een dag die je, nou ja, misschien liever vergeet als moeder. Ik had nog niet ontbeten, gedoucht of gepraat met een volwassene toen mijn beste vriend die in Kaapstad woont voor de deur stond. Of we even koffie konden drinken ergens. Natuurlijk, gezellig. Zo vaak kunnen we elkaar immers niet zien. De boys gingen in de buggy mee. We liepen door de Amsterdamse straten en ik had al een klein onderbuikgevoel: misschien had ik ze beter even in bed kunnen leggen en thuis koffie kunnen drinken. Maar we waren al onderweg naar een hippe lunchzaak en ik wilde ook geen spelbreker zijn omdat ik nu eenmaal moeder ben.

 

Ik kan je één ding vertellen: als je ooit in een restaurant of koffietent of pannenkoekenhuis zit en je hoort kinderen vanuit hun tenen krijsen, heb dan vooral medelijden. Met de moeder in het gezelschap. Want o mijn god, wat was dít een ramp. De koffie was besteld en op het moment dat de serveerster bij onze tafel stond was het raak. Huilen. Eerst één baby, toen nog een. Iedereen kijkt. Maar het huilen wordt erger. Oppakken helpt niet, knuffelen helpt niet, de speen is stom en het konijn al helemáál. Krijsen. Keel open, volume 180. De decibellen aan babygejengel vlogen door de ruimte. Keer twee dus hè, vergeet dat niet. En ik stond daar. Knalrood. Bezweet. Te stamelen: ‘Ja, eh, sorry, het wordt toch een koffie to go.’

 

Het erge is dat ik óók wel eens naar andere moeders keek als ik een kind hoorde huilen, toen ik zelf nog geen moeder was. Dat ik dacht: come on, hou je kinderen eens in toom en voed ze eens gewoon goed op. Maar zo werken dingen helaas niet, weet ik nu. Je dag is zó anders als je kleintjes hebt. Dat letterlijk even een uurtje een koffie buiten de deur je enige uitje van de dag is. En dat je je vrienden al zo weinig kan zien. Dat de dagen alleen om de baby’s draaien en niet meer om jezelf en je vriendschappen en je behoefte aan cafeïne en mensen om je heen. Dus dat je denkt: het kan nét nog even. Maar ik had beter naar mezelf moeten luisteren.

 

Wat het mooie dan is aan dit verhaal? De spontane hulp die ik kreeg. Mijn vriend ging gauw de koffies afrekenen zodat we weg konden. En intussen stond ik daar dus alléén in een bloedvolle zaak, met één gillende baby op mijn armen en één krijsend kind in de buggy. Vrouwen kwamen uit alle hoeken van de koffietent naar me toe. ‘Kan ik helpen?’, ‘Zal ik even met de buggy wiegen?’, ‘Moet ik hem even vasthouden?’ Ze zagen mijn wanhoop. Ze zagen mijn paniek, mijn stress, mijn vermoeide moedergezicht. Ik lachte nog, maar huilde stiekem met mijn tweeling mee. Wat gingen dit soort gewone dingetjes vroeger toch ongemerkt makkelijk. Nu is het een hele planning en rekening houden met flesjes, slaapjes, natte luiers, boze buien. En dat is niet erg, dat doe ik met alle liefde. Maar het is écht niet altijd makkelijk. En het is soms écht even een dag te veel, een dag niet leuk, een dag om te vergeten.

 

Ik heb in plaats van die hele koffie ’s avonds maar een glas wijn gedronken. Ik vond dat ik het had verdiend.